02/02/2018
Voor de Gulden munten en biljetten hadden we vroeger zogenaamde volksnamen.
Maar hoe zit het met de Euro? Hebben we daar al volksnamen voor?
Even een rijtje van vroeger:
Spie (1 centmunt)
Stuiver (5 centmunt)
Dubbeltje (10 centmunt, duppie, beissie): hoe een dubbeltje rollen kan, zo plat als een dubbeltje
Kwartje (25 centmunt, maffie[6], heitje): heitje voor 'n karweitje, het kwartje begint te vallen
Gulden (piek, pegel, pop) (Nederlandse 1 gulden)
Daalder (1½ guldenmunt): op de markt is uw gulden een daalder waard
Rijksdaalder (knaak, riks, achterwiel, karrenwiel) (2½ guldenmunt)
Vijfje (bas, dikke stuiver, fiets) (2 rijksdaalders) (5 guldenmunt of -biljet)
Tientje, (joetje, mattenklopper, prent) (10 guldenbiljet)
Geeltje (25 guldenbiljet; de versie van 1861-1909 had een gele kleur)
Zonnebloem, bram, brammetje (50 guldenbiljet)
Meier, mutje, snip, bank(ie)/bankje (100 guldenbiljet)
Vuurtoren (250 guldenbiljet, met een afbeelding van de vuurtoren van Haamstede)
Rooie rug, rooie of rug (1000 guldenbiljet, oorspronkelijk rood- maar later groengekleurd)
Bron:Wikipedia